Stern verwoordt Open Vld standpunten tijdens discussie ivm flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau
12 november 2007 - Ontwerp van decreet betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau
Stuk 1315 (2006-2007), 26/10/2007 Nr. 3
II. ALGEMENE BESPREKING
3. Opmerkingen van mevrouw Stern Demeulenaere (pp. 10 11)
Mevrouw Stern Demeulenaere stelt dat de Open Vld-fractie hoopt dat het voorliggende ontwerp van decreet er zal in slagen vorm te geven aan het flankerend onderwijsbeleid, onder andere voor wat betreft de problematiek van de sociale voordelen. In tegenstelling tot de huidige regelgeving die strikt afbakent wat gemeenten voor andere dan de gemeentescholen kunnen en mogen doen, blijkt uit het ontwerp van decreet de bedoeling om zowat alles toe te staan. Op het vlak van de sociale voordelen blijft de regeling in grote lijnen behouden. Dat alles, of bijna alles, wordt toegestaan, heeft te maken met het opentrekken van het gezondheidstoezicht naar 'andere voordelen', waarbij aan de gemeenten de autonomie wordt verleend om dit via criteria in goede banen te leiden. De spreker meent dan ook dat er zal op moeten worden toegezien dat de middelen ingezet voor het flankerend onderwijsbeleid, niet worden aangewend voor onderwijsgebonden toepassingen. Zij hoopt dan ook dat hier in de nodige opvolging zal worden voorzien.
In artikel 4 van het ontwerp wordt weliswaar gesteld dat het toepassingsgebied slaat op het gefinancierd en gesubsidieerd basis- en secundair onderwijs, maar bij de opsomming van wat onder sociale voordelen valt in artikel 6 van het ontwerp, blijft de huidige ruimere regeling voor het basisonderwijs ongewijzigd, ware het niet dat de bepaling van artikel 6, 4°, inzake de kosten voor de toegang tot het zwembad zich dan weer beperkt tot het lager onderwijs. Is hier sprake van spraakverwarring tussen de begrippen 'basisonderwijs' en 'lager onderwijs' of is dit bewust? Vanwaar deze beperking? In de memorie van toelichting is hierover niets terug te vinden.
Hoe zit het met de studieopvang in het basisonderwijs? Wanneer studieopvang wordt georganiseerd voor leerlingen van de eerste en tweede graad van het basisonderwijs moet deze opvang als een avondtoezicht worden geïnterpreteerd; studieopvang voor de leerlingen van de derde graad van het basisonderwijs wordt niet als een sociaal voordeel beschouwd. Kan de minister dit verduidelijken?
Een duidelijke afbakening tussen de rol van het lokaal bestuur als inrichter van het lokaal onderwijs enerzijds en de rol van het lokaal bestuur als inrichter van het flankerend onderwijsbeleid anderzijds, lijkt dan ook aangewezen om erop toe te zien dat de regierol van de lokale besturen of gemeenten verduidelijkt wordt.
Om misbruiken te voorkomen en er op toe te zien dat de schoolbesturen op hun beurt hun afspraken ook nakomen op het gebied van de toegekende middelen, zowel sociale als andere, in het kader van het flankerend onderwijsbeleid, lijkt het de Open Vld-fractie dan ook aangewezen dat de schoolbesturen zich op een of andere manier zouden engageren om de verantwoording van de bestede middelen in dit kader jaarlijks ter controle voor te leggen aan de gemeenteraad.
In het geval van de lokale besturen die zelf onderwijs aanbieden moeten deze, indien ze sociale voordelen toekennen aan de eigen scholen, niet alleen dezelfde sociale voordelen toekennen aan de andere scholen. Bijkomende voorwaarde is dat deze erom verzoeken. Deze voorwaarde is echter niet voorzien in het geval de lokale besturen zelf geen onderwijs aanbieden. Voor dit onderscheid wordt evenwel geen objectiveerbare grond aangegeven.
De mogelijkheid om klacht neer te leggen tegen eventuele misbruiken of oneerlijke concurrentie, ervaart de Open Vld-fractie als positief. Er wordt wel gevreesd dat dit niet afdoende zou kunnen blijken na verloop van tijd. Immers bij klachten of problemen in verband met oneerlijke concurrentie of misbruiken kan men wel stappen zetten in de richting van de commissie Zorgvuldig Bestuur enerzijds, of de provincie anderzijds, maar dan rest het probleem van de rechtzetting die zich misschien zal opdringen in bepaalde omstandigheden. Zullen deze instanties de nodige instrumenten aangereikt krijgen om hier van rechtswege in te grijpen waar nodig of blijft men genoodzaakt uiteindelijk naar de rechtbank te stappen om de rechtzetting af de dwingen?
Ook blijft het voor de spreker nog een beetje gissen naar de werkelijke rol die de lokale besturen toebedeeld krijgen inzake het verhogen van de kleuterparticipatie, een dossier dat de Open Vld-fractie nauw aan het hart ligt.
Daarbij wordt wel in de memorie van toelichting gesteld dat de nodige ondersteuning en instrumenten zullen worden aangereikt door instanties zoals de VVSG, maar de vraag blijft in hoeverre deze vrijblijvende aanzet afdoende zal blijken om de lokale besturen daadwerkelijk aan te zetten tot de uitvoering, gezien de nieuwe bijkomende taak die hier wordt weggelegd voor de lokale besturen en die ook bijkomende lasten zal veroorzaken. Worden ook hier nog bijkomende stimulansen voorzien of wordt dit voldoende geacht om resultaten te oogsten?
7. Antwoord van de minister (p. 15)
Inzake de opmerkingen van mevrouw Demeulenaere stelt de minister dat er mogelijks verwarring is. In het ontwerp wordt inderdaad een onderscheid gemaakt tussen middagtoezicht en avondtoezicht. Maar er wordt in deze materie geen onderscheid gemaakt tussen de eerste en tweede graad enerzijds en de derde graad anderzijds.
Voor zwemmen gaat het niet over het kleuteronderwijs, vermits zwemmen niet opgenomen is in de eindtermen. Dit is wel het geval voor het lager onderwijs, zoals toegelicht in de memorie. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen wat verplicht is in de eindtermen, wat de scholen zelf moeten dragen, en wat daarbovenop komt. In dat laatste geval spelen de sociale voordelen.
De controle van gemeenten over het gebruik van het geld door schoolbesturen moet worden geregeld in het procedurebesluit. Er is geen terugvorderingsprocedure voorzien door de Vlaamse decreetgever als een schoolbestuur financiële middelen verkeerd aanwendt. Het gaat immers niet om geld van de Vlaamse overheid. Het is aan de gemeentebesturen om dit te bepalen.
Om de lokale besturen aan te moedigen, rekent de minister op de VVSG voor sensibilisering en vorming.
III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMING
HOOFDSTUK III (p. 17)
Leerplicht en verhoging van de deelname aan het onderwijs van alle kleuters
Artikel 15
Een amendement van mevrouw Kathleen Helsen, de heren Dirk De Cock en Robert Voorhamme, mevrouw Stern Demeulenaere, de heer Hans Schoofs en mevrouw Monica Van Kerrebroeck strekt ertoe aan het tweede lid een zin toe te voegen, die luidt als volgt:
"Als er geen LOP is, overlegt het lokaal bestuur hierover met de lokale onderwijsactoren, met name ten minste de scholen en de CLB's." (amendement nr. 1).
Mevrouw Kathleen Helsen verwijst naar de verantwoording bij het amendement (Parl. St. Vl. Parl. 2007-08, nr. 1315/2).
Het amendement en het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 8 stemmen, bij 4 onthoudingen.
Artikel 16
Een amendement van mevrouw Kathleen Helsen, de heren Dirk De Cock en Robert Voorhamme, mevrouw Stern Demeulenaere, de heer Hans Schoofs en mevrouw Monica Van Kerrebroeck strekt ertoe een zin toe te voegen, die luidt als volgt:
"Als er geen LOP is, overlegt het lokaal bestuur hierover met de lokale onderwijsactoren, met name ten minste de scholen en de CLB's." (amendement nr. 2).
Mevrouw Kathleen Helsen stelt dat het hier gaat om dezelfde verantwoording als het amendement bij artikel 15.
Het amendement en het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 8 stemmen, bij 4 onthoudingen.
HOOFDSTUK IV (p. 17)
Flankerend onderwijsbeleid betreffende centrumsteden
Artikel 17
Een eerste amendement van mevrouw Kathleen Helsen , de heren Dirk De Cock en Robert Voorhamme, mevrouw Stern Demeulenaere, de heer Hans Schoofs en mevrouw Monica Van Kerrebroeck strekt ertoe in 2°, b), de woorden "het engagement" te vervangen door de woorden "een engagementsverklaring" (amendement nr. 3).
Mevrouw Kathleen Helsen verwijst naar de verantwoording bij het amendement.
Een tweede amendement van mevrouw Kathleen Helsen , de heren Dirk De Cock en Robert Voorhamme, mevrouw Stern Demeulenaere, de heer Hans Schoofs en mevrouw Monica Van Kerrebroeck strekt ertoe aan 2°, een f) toe te voegen, dat luidt als volgt: "f) een algemeen budgettair plan bij het onderwijsplan" (amendement nr. 4).
Mevrouw Kathleen Helsen verwijst naar de verantwoording bij het amendement.
De amendementen nrs. 3 en 4 en het aldus geamendeerde artikel worden aangenomen met 8 stemmen en 4 tegen.
IV. EINDSTEMMING (p. 19)
Het geamendeerde ontwerp van decreet betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau wordt aangenomen met 8 stemmen voor en 4 tegen.
Overzicht van alle nieuwsberichten